1.   kampioen zn. 'de beste, de voortreffelijkste'
categorie:
leenwoord
Mnl. campioen 'vechter in een gerechtelijke tweekamp' [1340-50; MNW], ook kempioen 'id.' [1340-50; MNW] en kimpioen 'id.' [ca. 1350; MNW]; vnnl. campioen 'strijder, krijgsheld' [1567; Nomenclator]; nnl. kampioen 'overwinnaar in de sport' [1900; WNT].
Ontleend aan de Picardische variant campion van Frans champion 'strijder in een gerechtelijke tweekamp' [ca. 1150; Rey], eerder campiun [1080; Rey], beide ontleend aan middeleeuws Latijn campio (genitief campionis) 'strijder, bokser' [643; Rey]. Dit woord is een afleiding van Latijn campus in de al klassieke betekenis 'strijdperk, slagveld'. Deze afleiding kan rechtstreeks zijn, zoals bijv. klassiek Latijn tabellio 'notaris' bij tabella 'document, akte', of waarschijnlijker zijn verlopen via het Germaans (Frankisch), waarin dan eerst *kamp-ja- 'strijder' is afgeleid van een ontlening aan Latijn campus 'strijdperk', waarvoor zie kamp 2 'strijd'.
De Middelnederlandse vormen met e en i staan onder invloed van het synonieme zn. kempe 'vechter (in een tweestrijd)' [1240; Bern.], ook algemener 'strijder, vechter' [1300-50; MNW-R], soms ook in de vorm kimpe.
De gewone betekenis van kampioen was in het verleden 'strijder'; in het bijzonder ging het daarbij om een strijder die namens iemand anders of een groep optreedt, bijv. namens een vorst, een zwakkere, een legermacht en daarvoor werd natuurlijk een voortreffelijk vechter gekozen. In het Engels is uit deze betekenis 'overwinnaar' ontstaan, en nog algemener 'de beste, de voortreffelijkste'. In de sport zijn deze betekenissen overgenomen in het Nederlands. De oorspr. Nederlandse betekenissen zijn inmiddels verouderd.


  naar boven