1.   modern bn. 'van de huidige tijd, hedendaags'
categorie:
leenwoord
Mnl. moderne [15e eeuw; Stall.]; vnnl. excellent po√ęte moderne 'excellent hedendaags dichter' [1555; WNT wijlen II], so modern als antijck 'zowel modern als klassiek' [1617; WNT]; nnl. moderne talen (tegenover klassieke talen) [1815; WNT lector].
Via Frans moderne 'hedendaags' [voor 1455; TLF] ontleend aan Laatlatijn modernus 'nieuw, hedendaags', dat afgeleid is van het bw. modo 'zojuist, op dit moment', eigenlijk de ablatief van modus 'maat, wijze', zie mode.
Fries: modern


  naar boven