1.   schunnig bn. 'obsceen'
categorie:
geleed woord
Nnl. schunnig 'slordig, haveloos' [1843; WNT], in eene schunnige japon [1899; WNT], 'obsceen' in welk een schunnig snaakje moet men zijn om zoo een zin over de kuischheid ... te pas te brengen [1894-98; WNT].
Herkomst onzeker. Mogelijk afgeleid met achtervoegsel -ig van vnnl. schun 'iemand die zich haveloos kleedt' [1630; WNT schun], eerder 'boef, landloper' [voor 1630; WNT], dat mogelijk teruggaat op nnd. schund 'drek, vuilnis' en/of Hoogduits Schund 'id.' [16e eeuw; Kluge], hedendaags Duits 'minderwaardige literatuur, prikkellectuur' [18e eeuw; Kluge], ablautend bij schinden 'schenden, schade berokkenen' [9e eeuw; Kluge].
Os. biskindian 'villen, afpellen'; ohd. scinten 'villen, afpellen, mishandelen'; afgeleid van het zn. pgm. *skin├ża-, waaruit: mhd. schint 'schil'; on. skinn 'gevilde huid' (vanwaar door ontlening ne. skin), nzw. skinn 'huid, vel'; oostelijk vnnl. en nnl. schin 'huidschilfer, roos' [1599; WNT]. Verdere etymologie onzeker.
Fries: -


  naar boven