1.   positief bn. 'bevestigend, niet negatief'
categorie:
leenwoord
Vnnl. positief 'ondubbelzinnig, stellig' in door een positive verklaringe [1663; iWNT]; nnl. positief ook 'bevestigend' in een positief antwoord [1879; WNT instinctmatig], 'afgedrukt, niet negatief (in de fotografie)' in Om een positief beeld te verkrijgen [ca. 1890; WNT], 'groter dan nul' in een positief getal [1924; WNT], 'optimistisch' in in zijn wezen ... iets sterk positiefs [1927; WNT].
Ontleend, al dan niet via Frans positif 'zeker' [1664; TLF], eerder al 'wat vastgesteld is' [1365; TLF] en 'werkelijk, echt' [begin 14e eeuw; TLF], aan middeleeuws Latijn positivus 'gegeven, vastgesteld, overeengekomen', afleiding van positus, het verl.deelw. van p┼Źnere 'plaatsen', zie positie.
Fries: posityf


  naar boven