1.   register zn. 'geordende lijst; orgelpijpen van dezelfde stem'
categorie:
leenwoord
Mnl. registeren 'overzichten van documenten' [1283; MNW onderwisen], in den register 'in het register' [1299; VMNW], registeren ('indexen') in den boeken te maken [1442; MNW], register '(orgel)register' [1483; WNT vente].
Ontleend aan middeleeuws Latijn registrum 'lijst, register', dat een variant is (ontstaan onder invloed van woorden op -istrum) van Laatlatijn regesta 'catalogus, register', de onzijdige meervoudsvorm van het verl.deelw. van regerere 'terugbrengen', en meer specifiek 'overnemen op een lijst, in een boek', gevormd met re- 'terug-' bij gerere 'dragen, uitvoeren', met onzekere etymologie. Mogelijk is de ontlening verlopen via Frans registre 'boek waarin aktes worden ingeschreven' [1259; TLF], ouder regestre 'verhaal, geschiedenis' [ca. 1265; Rey], nog ouder regeste 'id.' [ca. 1155; Rey], dat ook aan Laatlatijn regesta ontleend is.
De betekenis 'orgelpijpen met identieke klankkleur' is vermoedelijk ontstaan doordat Latijn registrum een betekenisuitbreiding 'regelaar' kreeg onder invloed van Latijn regere '(be)sturen', zie regeren. Hetzelfde gebeurde bij Frans registre onder invloed van r├ęgir 'regelen, besturen'. Zo betekende registrum campanae 'klokkentouw'. Bij uitbreiding ging het woord in de moderne talen ook 'klankkleur of toonbereik van een instrument of stem' en 'specifieke stijl van taalgebruik' betekenen.
Fries: register


  naar boven