1.   multi- voorv. 'veel-'
categorie:
leenwoord
Vnnl. multilaterus 'veelzijdig' [1654; Meijer]; nnl. multilateraal, multigenerisch [beide 1864; Calisch], vele multi-millionairs [1907; WNT], de multi-raciale samenleving 'veelrassige ...' [1963; WNT], multifunctioneel 'met vele mogelijke functies' [1961; Van Dale], een multinationale bemanning [1965; WNT], multinational 'in verschillende landen gevestigde onderneming' [1974; Koenen], multicultureel 'uit diverse culturen bestaand' [1984; Van Dale], multitalig 'veeltalig' [2005; NRC].
Internationaal voorvoegsel, gebaseerd op Latijn multus 'veel'.
De oudste woorden met multi- in het Nederlands zijn in hun geheel ontleend. Lange tijd was dat alleen multipliceren 'vermenigvuldigen' [1506; WNT multiplicatie] uit Latijn multiplic─üre 'id., vergroten', met diverse bijbehorende afleidingen uit het (Neo)latijn, zoals multiplicatie, multiplicator, multipliciteit. Deze woorden zijn in de algemene taal verouderd (zie vermenigvuldigen) en bovendien was multi- hier in het Nederlands niet als voorvoegsel te beschouwen aangezien *pliceren niet bestond. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan echte neologismen met multi-, die tot op heden in veel gevallen aan of via het Engels zijn ontleend.
Het woord multiplex 'plaatvormig hout uit meerdere tegen elkaar gelijmde lagen' [1938; WNT], eerder al in de samenstelling multiplex platen [1936; WNT triplexplaat], bestaat uitsluitend in het Nederlands en is gevormd naar analogie van triplex 'plaatvormig hout uit drie tegen elkaar gelijmde lagen'.
Fries: multy-


  naar boven