1.   tragisch bn. 'treurig'
categorie:
leenwoord
Vnnl. tragisch 'betreffende de tragedie, het treurspel' in Tragische oft claechlijcke historien [1579; WNT], Tragische Comoedi 'tragikomedie' [1643; WNT]; nnl. tragisch 'treurig' [1824; Weil.], 'betreffende het treurspel, dramatisch' in een akteur in tragische vervoering [1840; WNT], tragische poëzie [1869; WNT], 'treurig, deerniswekkend' in het tragisch einde van een menschenleven [1883; WNT], het tragische zijner lotgevallen [1884; WNT zeggen I], ook wel 'overdreven, pathetisch' in Doe niet zo tragisch! [1929; WNT].
Ontleend aan Frans tragique 'funest, dramatisch, vreselijk' [1569; TLF], eerder al 'van of betreffende de tragedie' [1414; TLF], met, wellicht onder Duitse invloed, substitutie van het achtervoegsel door -isch, zoals vaker gebeurt bij ontleningen aan Franse bn. op -ique, zie bijv. dynamisch. Het Franse woord is ontleend, wrsch. zowel via Latijn tragicus als rechtstreeks, aan Grieks tragikós 'van of betreffende de tragedie', een afleiding van trágos 'bok, geit', zie tragedie.
Fries: tragysk


  naar boven