1.   sjorren ww. 'stevig trekken'
categorie:
leenwoord, uitleenwoord
Vnnl. tsorren 'vastbinden' inTsorren. Iets 't geen los is, met touwen, klampen en spijkers vast maecken, dat het niet en slingert [1671; WNT]; nnl. sorren 'id.' in de Loper van het Takel, hoe zacht men die om de klamp sorde, echter wekteze den Commandeur [1727; WNT], sjorren 'id.' in Matroos ... splitst en knoopt; en kleed, en klust en sjort [1740; WNT], 'trekken, slepen' in Het scheepsvolk ... sjorde de vaartuigen over het land [1874; iWNT].
De herkomst is niet zeker. Volgens een oude hypothese stamt het woord als scheepsterm via Spaans (jorro, een zn.) en Portugees uit Arabisch jarra 'trekken, voortslepen', uitgesproken als /djarra/ (FvW, Philippa 2008). Dat zou gebeurd zijn in de tijd van de VOC. Daartegen spreekt de vorm van het woord in de oudste attestaties en het feit dat het in die oude attestaties uitsluitend 'vastbinden' betekent. De betekenis 'trekken' is een latere, afgeleide betekenis. Volgens FvWS komt het uit Fries sorje 'tuieren', een dialectische (Zuidwesthoekse) variant van tsjoarje, tsjurje 'tuieren, vastleggen aan de tuier', dat overeenkomt met Nederlands tuieren, mnl. tuderen, een afleiding van mnl. tu(d)der, nnl. tuier 'paal om vee aan vast te zetten, touw waarmee men vastzet'. Maar een dergelijk Fries woord lijkt in werkelijkheid niet bekend te zijn geweest (WFT sjorje).
De volgende zeemanstaalwoorden zijn aan de nnl. vorm sorren ontleend: Duits zurren, sorren, Deens surre en Zweeds surra, alle 'vastbinden', en Nederduits sj├╗re, sjurren 'trekken'.
Fries: -


  naar boven