1.   schatten ww. 'achten; taxeren'
Mnl. Dat wyse niet scatten en sullen 'dat wij ze geen (onrechtmatige) schatting zullen opleggen' [1360; MNW], Hi scatte ons te doen hanghen 'hij was van plan ons op te hangen' [1412-15; MNW-R], schatten 'afpersen' [1434-36; MNW-P], schatten 'achten, taxeren, (in)vorderen' [1477; Teuth.].
Mhd. schetzen 'belasting opleggen; geloven' (nhd. sch├Ątzen 'schatten, waarderen'). Afleiding bij het zn. schat.
Fries: skatte


  naar boven