1.   gehalte zn. 'relatieve hoeveelheid van een bestanddeel; positieve inhoud '
categorie:
leenwoord
Vnnl. vanden alloy ende gehalte van dien 'van het gehalte (aan edel metaal) daarvan' [1646; WNT verslechten], (de penningen) ... haer gewichte ende gehalt 'hun gewicht en gehalte (aan edel metaal)' [1658; WNT voet]; nnl. De Venetiaansche Zechinen waren in gehalte aan de Hongaarsche gelijk 'de Venetiaanse zechinen (gouden munten) waren in relatieve hoeveelheid goud gelijk aan de de Hongaarse' [1829; WNT zechine], zwavelwaterstofwater van bekend gehalte 'van bekende sterkte / verdunning' [1870; WNT zwavelwaterstof]; ook 'kwaliteit, positieve inhoud', bijv. in aan dezen (verwaande stijl) ontbreekt innerlijke gehalte [1838; WNT verwaand], middelmatigheid en onbekwaamheid, numerieke sterkte in plaats stellende voor gehalte [1860; WNT Aanv. numeriek].
Ontleend aan Hoogduits Gehalt 'relatieve hoeveelheid (edelmetaal)' [15e eeuw; Pfeifer], 'relatieve hoeveelheid in een chemisch mengsel' [17e eeuw; Pfeifer], zoals nog blijkt uit de vorm in de attestatie van 1658; gehalt is een afleiding met ge- (zie ge-) van het werkwoord halten 'inhouden, bevatten', zie houden. De toevoeging van een -e heeft wrsch. plaatsgehad naar het voorbeeld van woorden als gestalte, aanstalte(n).


  naar boven