1.   ba 1 tw. 'uitroep van afkeer'
categorie:
klankwoord
Vnnl. ba ja 'jawel' [1600; WNT], Dat hart zei lang al ba van de oorlog (als uitroep van afkeer) [1678; WNT]; nnl. a, ba als uitroep van twijfel [1793; WNT], bah als uitroep van afkeer [19e eeuw; WNT].
Dit is de klanknabootsing van een geluid dat met lippen wordt gemaakt. Er is wel geopperd dat ba en wa zijn ontstaan uit tussenwerpsels als bal en wal (< wel), maar men kan evenzeer aannemen dat "verschillende, op elkander gelijkende tusschenwerpsels in gelijksoortige gevallen werden gebruikt" (WNT).
Tot de 19e eeuw ontbreken citaten met ba als duidelijke uitroep van afkeer; wel bestond reeds mnl. geen boe of ba zeggen 'helemaal niets zeggen', zie ba 3. De betekenis 'afkeer' moet wel ouder zijn dan de 19e eeuw, gezien ba zeggen van 'verfoeien' uit 1678 en de voorbeelden bij ba 2. MNW interpreteert ba neen in een tafelspel uit de 16e eeuw als 'foei', maar in de latere teksteditie van Leendertz wordt dit gelezen als wa neen, met wa als een versterkend 'wel'; in de context lijkt 'welnee' inderdaad aannemelijker dan 'foei'. Nog in de 17e eeuw wordt ba gebruikt als een versterkend 'wel'; deze betekenis is echter aan het eind van de 19e eeuw volgens het WNT in Noord-Nederland verouderd.
In het Engels wordt bah 'foei' pas in de 19e eeuw gesignaleerd (OED), mogelijk als ontlening aan het Frans, hoewel het Frans beuh heeft ter uitdrukking van afkeer. Het Engels kent eerder wel ba [1170], later bah [1783], om verbazing of twijfel uit te drukken; in deze betekenis kwam ba in het Nederlands ook wel voor, volgens het WNT (1895) geen juist taalgebruik. De Nederlandse spelling bah verschijnt in het WNT in citaten vanaf ca. 1830; latere woordenboeken geven beide spellingen naast elkaar, en sinds 1992 maakt Dale zelfs onderscheid tussen het tussenwerpsel bah en het zn. ba (zie ba 2). Zie ook beu.
Literatuur: P. Leendertz (1907) Middelnederlandsche dramatische po√ęzie, Leiden, 181
Fries: ba, bah


  naar boven