1.   schroot(je) zn. 'reep gezaagd materiaal; metaalafval'
categorie:
verkorting, leenwoord
Vnnl. schroot 'kleine stukken ijzer' in Teffens haagheld' hun 't grof geschut met schroot ... om de ooren 'tegelijkertijd schoot het grof geschut hun om de oren met stukken ijzer' [1642; iWNT]; nnl. schroot 'metaalafval' in hetwelk men in de Munt gewoon is te noemen "het schroot" [1855-56; iWNT], schroot 'reep gezaagd hout' in hekwerk, bestaande in schroten [1858; iWNT], schroden of schroten 'id.' [1863; WNT].
In de betekenis 'stuk hout', letterlijk 'afgesneden stuk', afgeleid van het werkwoord schroden 'in stukken hakken of snijden', uit mnl. scroden 'id.', bij dezelfde wortel als scheren 1. De -t waarschijnlijk onder invloed van schroot in de betekenis 'oud ijzer', dat ontleend is aan Nederrijns-Duits Schrott 'metaalafval' (Kluge), mhd. schrĊt 'afgesneden stuk' (WNT), teruggaand op dezelfde wortel.
Fries: skroat


  naar boven