1.   traan 1 zn. 'oogvocht'
Onl. tran 'traan' in trani mina 'mijn tranen' [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. traen, in de spelling tran [1240; Bern.], in menech bitter traen 'menige bittere traan' [1265-70; VMNW].
Os. (mv.) trahni 'tranen' (mnd. trān); ohd. trahan (nhd. Träne); < pgm. *trahnu- 'traan'. Hierbij met andere uitgang ook mhd. traher, treher 'traan'.
Daarnaast staat de vorm *tahra- 'traan', waaruit: ohd. zahar (nhd. Zähre); ofri. tār; oe. tēar, tæhher (ne. tear); on. tár (nzw. tår) en met grammatische wisseling *tagra- 'id.', waaruit: oe. teagor; got. tagr 'traan'.
Men kan beide Germaanse vormen verbinden door uit te gaan van pie. *draḱru- < *drh2(e)ḱru-, waaruit dan door dissimilatie nevenvormen als *draknu- en *daḱru- zijn ontstaan, en zonder d-anlaut ook nog *akru- (IEW 179). Verwant zijn: Vroeglatijn dacruma (klassiek Latijn lacrima); Grieks dákru; Oudiers dēr, Welsh deigr (< *dakro-); Armeens artausr (< *drakur); en zonder d-: Sanskrit áśru; Avestisch asrū-; Litouws ašarà; Tochaars A ākär, mv. akrunt; Hittitisch ishahru.
tranen ww. 'oogvocht afscheiden'. Mnl. trenen 'huilen' [1240; VMNW], sine hoghen tranen 'zijn ogen tranen' [1287; VMNW]. Afleiding van het zn. traan 'oogvocht'.
Fries: trientrienje


  naar boven