1.   toveren ww. 'magie beoefenen'
Mnl. toveren 'magie beoefenen', in de vorm tourem (lees touren = tovren) [1240; Bern.], in god ghebod ... toueren ... Niemene gheloefde no ne dede 'God gebood dat niemand in toverij zou geloven of zich ermee bezig zou houden' [1285; VMNW].
Afleiding van mnl. tover 'tovenarij, magie' < onl. *tōvar, dat enkele zeer onzekere attestaties heeft in de Lex Salica (8e eeuw). In het Middelnederlands was dit woord al vrij zeldzaam geworden en grotendeels vervangen door een jongere afleiding toverie (nnl. toverij, tovenarij) van toveren.
Mnd. toveren; ohd. zoubarōn (nhd. zaubern) 'toveren'; on. taufra 'toveren, beheksen'; nfri. vero. thauwerje 'toveren' (naast toverje als ontlening aan het nnl.); < pgm. *taubarōn-.
Afleiding van *taubara-, waaruit naast mnl. tover: ohd. zoubar (nhd. alleen Zauberei); ofri. taver; on. taufr; alle 'tovermiddel, tovenarij'; en oe. tēafor 'oranjerode verfstof, menie' (< 'kleurstof voor magische inscripties'); < pgm. *taubra-, taufra- (met en zonder grammatische wisseling). Herkomst onbekend.
tovenaar zn. 'magiër'. Onl. tōvereri 'tovenaar' in de genitiefvorm touferes (lees toufreres) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. toverare 'id.', in de vorm touerere [1240; Bern.], touerars (mv.) [1276-1300; CG II], tovenaer in waersagerssen oft tovenaers [1440; MNW]. Afleiding van toveren met het achtervoegsel -aar, later met de variant -enaar door dissimilatie.
Fries: toverje (ontleend aan het Nederlands) ◆ tovener


  naar boven