1.   kampernoelie zn. (BN) 'champignon'
categorie:
leenwoord
Mnl. compernoel 'paddestoel, zwam' [ca. 1330; Claes 1994a], campernoele [1351; MNW]; vnnl. campernoellien (mv.) [1534; Claes 1994a], campernoeille [1573; Thes.]. In het bijzonder 'eetbare paddestoel' [1621; WNT] of nnl. 'champignon' [19e eeuw; WNT].
Ontleend aan een Picardisch campaigneul [13e eeuw; FEW], ontwikkeld uit vulgair Latijn *campaniola 'paddestoel', zie verder champignon. De r is een epenthetische r, zoals die wel vaker voorkomt voor n, bijv. in de familienaam Van Compernolle, ouder Van Coppenolle. Ook in het hedendaagse gesproken Picardisch komen wel vormen met r voor, bijv. in Mons (Bergen) une campernouille, maar die kunnen ook aan het Nederlands ontleend zijn.


  naar boven