1.   traineren ww. 'vertragen, op de lange baan schuiven'
categorie:
leenwoord
Vnnl. traineren 'spelen, rekken, uitstellen' [1574; Kil.], 'slepend houden, op de lange baan schuiven' in de sake te treineren en op te houden [1604; WNT], 'vertragen, iemand ophouden' in ons te trayneren ende tydt te doen versuymen [1619; WNT], 'talmen, treuzelen' in wat de reden van al dit traineren is [1678; WNT].
Ontleend aan Frans traîner 'langzaam te werk gaan, vertragend werken' [1508; TLF], ouder 'rekken, doen duren' [1461; TLF], eerder al 'trekken, voortslepen', zie trainen. Zie ook trein.
In het Middelnederlands bestonden al vormen als trahinen, trayinen, trainen en treinen met de betekenis 'voortslepen, langs de grond trekken'; deze zijn ontleend aan Oudfrans traïner en variante vormen daarvan als trahiner (MNW).
Fries: trênearje


  naar boven