1.   trainen ww. 'oefenen'
categorie:
leenwoord
Vnnl. trainen, treinen 'oefenen, vaardigheid bijbrengen' in De honden ... sullen dickwils op grofwilt niet willen aengaen ... om dat se daer op niet en zijn getreent [ca. 1636; WNT]; nnl. allen kunnen zich trainen [1893; WNT], onze jongens worden getraind in de vreemde talen [1909; WNT], ook onovergankelijk in daardoor kun je thuis ... iets zwaarder trainen [1924; WNT].
Ontleend aan Engels train 'instrueren, onderwijzen' [1542; BDE], eerder al 'door overtuigen aantrekken, overhalen, bekeren' [1526; BDE], 'behandelen om in de juiste of gewenste vorm te krijgen' [ca. 1440; BDE], ouder traynen 'meetrekken, overhalen' [1375; BDE]. Het Engelse ww. is ontleend aan Frans traîner 'trekken, meeslepen' [13e eeuw; TLF], eerder al 'achter zich voortslepen' [1160-74; TLF], 'kracht uitoefenen op' [ca. 1135; TLF], ontwikkeld uit vulgair Latijn *traginare, een verlengde vorm van *tragere 'trekken', dat zelf een nieuwvorming is op basis van het verl.deelw. tractus 'getrokken' van klassiek Latijn trahere 'trekken', zie tractor. Zie ook traineren en trein.
Het woord is oorspr. alleen overgankelijk (bijv. een hond trainen, een sporter trainen, hierbij ook de afleiding trainer), maar wordt sinds eind 19e eeuw ook onovergankelijk gebruikt.
In het Vroegnieuwnederlands en in de 19e en 20e eeuw werd ook wel het woord treineren, traineren in deze betekenis gebruikt: dievery ... een gauwe-dief, die isser gheweldich op ghetrynneert '... die is daarin zeer geoefend' [1612; WNT getraineerd II]; nnl. een paard traineren [1847; Kramers], Zich traineeren "zich oefenen (van wielrijders, schaatsenrijders, enz.)" [1901; Kuipers], Traineeren, trainen "oefenen van den jachthond" [1947; WNT traineeren II]. Dit woord is met aanpassing van het achtervoegsel ontleend aan Duits trainieren 'oefenen, coachen' [19e eeuw; Kluge], dat zelf ook is ontleend aan Engels train. De vnnl. vorm treineren, trynneren is mogelijk rechtstreeks ontleend aan Frans traîner, zeker in België.
Fries: traine


  naar boven