1.   trachten ww. 'proberen'
categorie:
leenwoord
Mnl. trachten 'bedenken, verzinnen' in dat ic nit ne trachte Dat selue dat ic v ontbinde 'dat ik niet verzin wat ik u vertel' [1265-70; VMNW], Dat altemale logene ware dat Keye over Waleweine trachte 'dat het allemaal leugens waren die Kay over Walewein verzon' [14e eeuw; MNW]; vnnl. trachten 'overpeinzen' [1573; Thes.], 'nastreven, proberen te bereiken' [1588; Kil.], tracht niet na de hooge dingen 'wees eenvoudig' [1637; WNT], 'proberen, moeite doen te' in ... getracht, het dickste haer, van beesten te besichtigen [1674; WNT]; nnl. trachten 'proberen' in een mensch, die tracht goed te zijn [1881; WNT].
Vroege Germaanse ontlening aan Latijn tractāre 'behandelen, handelen over, overleggen', later ook 'overleggen over het antwoord op een vraag, uitdenken', frequentatief van trahere 'trekken', zie tractor. Voor een afleiding van trachten zie betrachten.
Ook os. trahton, mnd. trachten (vandaar door ontlening nzw. tragte); ohd. trahtōn (nhd. trachten); ofri. tragtia (nfri. trachtsje); oe. trahtian; alle 'uitdenken; streven, proberen'.
Fries: trachtsje


  naar boven