1.   tragedie zn. 'treurspel, drama'
categorie:
leenwoord
Mnl. tragedie 'treurspel, dramatisch gedicht' in tragediën ende comediën, dats ... dichten, baladen, romansen, rijmen ende liedekins [1485; MNW]; vnnl. tragedie, tragoedie 'treurspel, treurdicht' in Tragœdie, een ghedicht van heerlijcke luyden, ende van heerlijcke dinghen die eenen droeuen wtganck of eynde hebben [1553; Van den Werve], Oftmen gheestelicke comedien ende tragedien voor den volcke in Rhetoryke spelen magh? [1578; WNT], ook figuurlijk 'tragische gebeurtenis(sen)' in tragedien Van onreyn vrouwen, die haer houwelijck braken [1582; WNT], (over schipbreukelingen) een afgrysselyke tragedie [1693; WNT].
Ontleend, wrsch. zowel via Frans tragédie, ouder tragedie 'treurspel, type toneelstuk' [1553; TLF], 'tragische gebeurtenis(sen)' [1552; TLF], eerder al 'dramatisch gedicht' [ca. 1300; TLF] als rechtstreeks, aan Latijn tragoedia 'treurspel', ontleend aan Grieks tragōidíā 'dramatisch gedicht of toneelstuk in statige taal, met ongelukkige afloop'. Het Griekse woord is een afleiding van trágos 'bok' en betekent letterlijk 'lied der bokken': volgelingen van Dionysus, de god van onder meer de wijn, de oogst en ook de lente, verkleedden zich als bokken en uit de rituelen bij zijn verering is het Griekse drama ontstaan.
Grieks trágos 'geitenbok' is een nomen agentis bij trageĩn (aoristus) en trṓgein 'knabbelen, knagen', waarvan de verdere herkomst onduidelijk is.
Fries: trageedzje


  naar boven