1.   vergaderen ww. 'bijeenkomen of bijeenzijn ter beraadslaging'
categorie:
geleed woord
Mnl. vergaderen 'bijeenkomen, samenkomen; bijeenbrengen, samenbrengen' in die scepnen sin uergadert 'de schepenen zijn bijeengekomen' [1237; VMNW], doen slaen de clocke ... om de portres te vergadrene 'de klok laten luiden om de poorters bijeen te roepen' [1254; VMNW], ende vergaderde groten scat 'en bracht grote rijkdom bijeen' [1285; VMNW]; vnnl. vergaderen om met malckanderen te beraden 'bijeenkomen om samen te beraadslagen' [1573; Thes.]; nnl. vergaderen 'bijeenkomen, zich verzamelen' in De Compagnien zullen ... tot het exerceeren vergaaderen [1771; WNT], dat de saemgezworenen zich rond S. poogden te vergaderen [1849; WNT], 'bijeenkomen voor beraadslaging enz.' in Gepraat was er waarlijk genoeg, vergaderd en onderhandeld [1909; WNT].
Afleiding met het voorvoegsel ver- (sub d) van gaderen 'verzamelen, bijeenbrengen' [1240; Bern.]; dat zelf een afleiding is van mnl. gader 'samen', van dezelfde stam als gade. Zie ook allegaartje 'bonte verzameling'.
Naast mnl. gaderen: mnd gadderen 'verzamelen'; mhd. gatern 'verenigen'; ofri. gaderia 'verzamelen' (nfri. gearjan); oe. gadrian, g├Ždrian 'verzamelen' (ne. gather); daarbij ook mnd. togadere 'samen'; mhd. gater 'id.'; ofri. gader, gadur 'id.' (nfri. gear- 'samen-', bijv. gearkomme 'samenkomen', gearkomste 'vergadering'); oe. geador 'samen' (ne. together).
Er ontstond door d-syncope ook een vorm vergaren, zie vergaren. De vormen vergaderen en vergaren werden eeuwenlang in vrijwel alle betekenissen door elkaar gebruikt; pas in de 19e eeuw vond de definitieve scheiding plaats tussen intransitief vergaderen 'bijeenkomen van mensen' en transitief vergaren 'verzamelen, bijeenbrengen van zaken'.
Fries: fergearje, vergarje


  naar boven