1.   ontij zn. 'donkere tijd van de dag'
categorie:
geleed woord
Mnl. ontijt 'ongeschikt moment' in die ... maecte strijt jegen Karel in ontijt 'die op een ongeschikt moment tegen Karel streed' [ca. 1350; MNW], 'donkere tijd van de dag' in by nacht ende ontijden 'als het buiten donker en gevaarlijk is' [1422; MNW]; vnnl. by onty ''s nachts' [1613; WNT snollen].
Afleiding van tijd met het voorvoegsel on-. Omdat het woord veelal voorkwam met buigingsuitgang -e, dus als ontijde, kon in deze vorm de intervocalische -d- wegvallen, waardoor de jongere vorm ontij ontstond, die alleen nog voorkomt in de verbinding bij nacht en ontij 'in het donker, als men voor onraad moet vrezen'. Zie ook getij(de) en hoogtij.
Fries: √Ľntiid


  naar boven